Met de juiste e-commerce KPI’s zie je niet alleen hoeveel je webshop verkoopt, maar vooral waar je geld verdient en waar groei verloren gaat. Denk aan je conversieratio, gemiddelde orderwaarde (AOV), winstmarge, Customer Acquisition Cost (CAC), Customer Lifetime Value (CLV) en ROAS.
Het heeft weinig zin om tientallen cijfers tegelijk te volgen. Voor de meeste webshops is een kleinere groep KPI’s veel bruikbaarder. Welke cijfers het belangrijkst zijn, hangt af van je verdienmodel. Een webshop met veel herhaalaankopen moet bijvoorbeeld sterk op klantwaarde sturen, terwijl bij fashion het retourpercentage veel meer invloed kan hebben.
Inhoudsopgave
1. De belangrijkste e-commerce KPI’s in één overzicht2. 1. Conversieratio: hoeveel bezoekers worden klant?3. 2. Gemiddelde orderwaarde (AOV)4. 3. Brutomarge: hoeveel blijft na de inkoop over?5. 4. Customer Acquisition Cost (CAC)6. 5. ROAS: hoeveel omzet leveren advertenties op?7. 6. Contribution margin: wat draagt een bestelling werkelijk bij?8. 7. Customer Lifetime Value (CLV)9. 8. Repeat Purchase Rate10. 9. Retourpercentage11. 10. Winkelwagenverlating12. 11. Voorraadomloopsnelheid13. Kijk nooit naar één KPI14. CAC en CLV horen bij elkaar15. Welke KPI’s zijn belangrijk voor jouw type webshop?16. Voorbeeld: de KPI’s van één webshop berekenen17. Omzet versus winst: waarom groei kan misleiden18. Welke cijfers zijn geen goede KPI op zichzelf?19. Welke e-commerce KPI’s zet je op je dashboard?20. Van KPI naar actie21. Welke e-commerce KPI’s moet je echt volgen?
De belangrijkste e-commerce KPI’s in één overzicht
Wil je snel weten welke webshop KPI’s interessant zijn? Begin dan met deze cijfers.
| KPI | Wat meet je? | Eenvoudige berekening |
|---|---|---|
| Conversieratio | Hoeveel bezoeken leiden tot een bestelling? | Bestellingen ÷ sessies × 100 |
| Gemiddelde orderwaarde (AOV) | Gemiddelde omzet per bestelling | Omzet ÷ bestellingen |
| Brutomarge | Wat blijft na de inkoopwaarde over? | (Omzet – inkoopwaarde) ÷ omzet × 100 |
| CAC | Kosten om een nieuwe klant te krijgen | Acquisitiekosten ÷ nieuwe klanten |
| ROAS | Advertentieomzet per advertentie-euro | Advertentieomzet ÷ advertentiekosten |
| CLV | Waarde van een klant over langere tijd | Afhankelijk van gekozen CLV-model |
| Repeat Purchase Rate | Hoeveel klanten opnieuw bestellen | Terugkerende klanten ÷ klanten × 100 |
| Retourpercentage | Hoeveel aankopen worden geretourneerd | Retouren ÷ verkopen × 100 |
| Cart abandonment rate | Hoeveel winkelwagens niet worden afgerekend | Verlaten winkelwagens ÷ aangemaakte winkelwagens × 100 |
Je hoeft deze KPI’s niet allemaal dagelijks te controleren. Sommige cijfers gebruik je voor dagelijkse sturing, terwijl andere vooral interessant zijn voor analyses over langere periodes.
Belangrijker is dat je begrijpt wat een verandering in een KPI betekent voor de rest van je webshop.
1. Conversieratio: hoeveel bezoekers worden klant?
De conversieratio van een webshop geeft aan welk deel van de bezoeken uiteindelijk tot een bestelling leidt.
Een eenvoudige berekening is:
Aantal bestellingen ÷ aantal sessies × 100
Stel dat je webshop in een maand 50.000 sessies en 1.500 bestellingen heeft:
1.500 ÷ 50.000 × 100 = 3% conversie
Dat betekent dat gemiddeld drie van iedere honderd sessies tot een bestelling leiden.
Let wel goed op welke definitie je gebruikt. Tools kunnen conversie bijvoorbeeld berekenen op basis van sessies of gebruikers. Vergelijk daarom niet zomaar percentages uit verschillende systemen.
Een lage conversieratio kan verschillende oorzaken hebben. Denk aan een te hoge prijs, slechte productinformatie, onverwachte verzendkosten, een ingewikkelde checkout of simpelweg verkeer dat niet goed bij je aanbod past.
Daarom vertelt conversie op zichzelf nooit het hele verhaal.
Wat is een goede conversieratio?
Daar bestaat geen universeel percentage voor.
De conversie verschilt onder andere door:
- productcategorie;
- gemiddelde verkoopprijs;
- apparaat;
- verkeersbron;
- land;
- verhouding tussen nieuwe en bestaande klanten;
- merkbekendheid.
Een webshop met goedkope verbruiksartikelen kan daardoor een veel hogere conversieratio hebben dan een webshop die designbanken van €3.000 verkoopt.
Gebruik benchmarks daarom als vergelijking, niet als absoluut doel.
2. Gemiddelde orderwaarde (AOV)
De Average Order Value, meestal afgekort tot AOV, laat zien hoeveel omzet een gemiddelde bestelling oplevert.
De formule is eenvoudig:
AOV = omzet ÷ aantal bestellingen
Heeft je webshop €90.000 omzet uit 1.500 bestellingen?
Dan is je AOV:
€90.000 ÷ 1.500 = €60
De gemiddelde bestelling heeft dus een waarde van €60.
AOV is interessant omdat je omzet kunt laten groeien zonder noodzakelijk meer bezoekers binnen te halen.
Stel dat dezelfde 1.500 klanten gemiddeld geen €60 maar €66 besteden.
Je omzet stijgt dan van:
1.500 × €60 = €90.000
naar:
1.500 × €66 = €99.000
Dat is €9.000 extra omzet zonder dat het aantal bestellingen stijgt.
Je kunt de gemiddelde orderwaarde bijvoorbeeld proberen te verhogen met productbundels, cross-selling, upselling of een grens voor gratis verzending.
Let op: een hogere AOV is niet automatisch beter. Als klanten alleen meer besteden door grote kortingen, kan je marge nauwelijks verbeteren.
3. Brutomarge: hoeveel blijft na de inkoop over?
Omzet is waarschijnlijk het bekendste cijfer binnen e-commerce.
Maar omzet vertelt je niet hoeveel je verdient.
Daarom is de brutomarge belangrijk.
Een eenvoudige formule is:
(Omzet – inkoopwaarde) ÷ omzet × 100
Stel:
Omzet: €100.000
Inkoopwaarde verkochte producten: €55.000
Dan blijft €45.000 brutowinst over.
De brutomarge is:
€45.000 ÷ €100.000 × 100 = 45%
Dit geeft een veel beter beeld dan alleen de €100.000 omzet.
Twee webshops met dezelfde omzet kunnen namelijk financieel compleet anders presteren.
| Webshop A | Webshop B | |
|---|---|---|
| Omzet | €100.000 | €100.000 |
| Inkoopwaarde | €70.000 | €45.000 |
| Brutowinst | €30.000 | €55.000 |
| Brutomarge | 30% | 55% |
Webshop B heeft bij dezelfde omzet €25.000 meer brutowinst beschikbaar om andere kosten te betalen.
Daar moeten vervolgens nog kosten vanaf, zoals personeel, marketing, software en mogelijk fulfilment.
Daarom is ook brutomarge nog niet hetzelfde als nettowinst.

4. Customer Acquisition Cost (CAC)
De Customer Acquisition Cost geeft aan hoeveel het gemiddeld kost om één nieuwe klant binnen te halen.
Een eenvoudige formule is:
CAC = acquisitiekosten ÷ aantal nieuwe klanten
Stel dat je in één maand €15.000 aan acquisitie uitgeeft en daarmee 500 nieuwe klanten krijgt.
Dan is:
€15.000 ÷ 500 = €30 CAC
Een nieuwe klant kost je gemiddeld €30.
Of €30 veel of weinig is, kun je niet bepalen zonder andere KPI’s erbij te pakken.
Als je €30 betaalt voor een klant waarop je uiteindelijk maar €20 verdient, is dat moeilijk vol te houden.
Levert een klant over meerdere bestellingen uiteindelijk €200 aan marge op? Dan kan €30 juist aantrekkelijk zijn.
Daarom moet je CAC altijd in relatie tot klantwaarde en marge bekijken.
5. ROAS: hoeveel omzet leveren advertenties op?
ROAS staat voor Return on Ad Spend.
Daarmee meet je hoeveel omzet tegenover je advertentiekosten staat.
De formule:
ROAS = advertentieomzet ÷ advertentiekosten
Stel:
Advertentiekosten: €10.000
Toegeschreven omzet: €50.000
Dan is:
€50.000 ÷ €10.000 = 5 ROAS
Voor iedere euro aan advertentiekosten wordt in dit voorbeeld €5 aan omzet toegeschreven.
Dat klinkt goed.
Maar is het dat ook?
Niet noodzakelijk.
Stel dat webshop A een brutomarge van 20% heeft en webshop B een brutomarge van 70%. Een ROAS van 3 heeft voor deze twee bedrijven een compleet andere financiële betekenis.
Daar komen ook nog andere kosten bij, zoals fulfilment, transactiekosten en retouren.
ROAS meet omzet en geen winst. Kijk daarom altijd ook naar je marge en de werkelijke bijdrage per bestelling.
6. Contribution margin: wat draagt een bestelling werkelijk bij?
Wil je dieper naar de winstgevendheid van je webshop kijken, dan wordt de contribution margin, of contributiemarge, interessant.
Daarmee probeer je te bepalen hoeveel van je omzet overblijft nadat de variabele kosten van een verkoop zijn betaald.
Denk bijvoorbeeld aan:
📈 Omzet
− inkoopwaarde
− verzending
− fulfilment
− transactiekosten
− retourgerelateerde kosten
= Contribution margin
Welke kosten je precies als variabel behandelt, hangt af van je bedrijfsmodel en gekozen definitie. Zorg daarom dat je intern altijd dezelfde berekening gebruikt.
Stel dat een bestelling €100 exclusief btw aan omzet oplevert.
| Onderdeel | Bedrag |
|---|---|
| Omzet | €100 |
| Inkoopwaarde | – €40 |
| Fulfilment | – €5 |
| Verzending | – €7 |
| Betaalkosten | – €2 |
| Verwachte retourkosten | – €4 |
| Bijdrage vóór overige kosten | €42 |
Die €42 geeft veel meer informatie over wat de order financieel bijdraagt dan alleen de omzet van €100.

7. Customer Lifetime Value (CLV)
De Customer Lifetime Value laat zien hoeveel waarde een gemiddelde klant gedurende de klantrelatie oplevert.
Dit is vooral belangrijk voor webshops waar klanten regelmatig terugkomen.
Stel dat een klant gemiddeld:
Besteding: €60 per bestelling
Frequentie: 4 keer per jaar
Klantduur: 3 jaar
Een zeer eenvoudige omzetgerichte CLV-berekening geeft dan:
€60 × 4 × 3 = €720
De verwachte omzetwaarde van deze klantrelatie is dan €720.
Maar let op: dit is omzet-CLV.
Voor financiële beslissingen kan het interessanter zijn om met brutowinst of contributiemarge te rekenen. Van €720 omzet hoeft immers geen €720 beschikbaar te zijn om acquisitiekosten terug te verdienen.
Er bestaan daarnaast uitgebreidere CLV-modellen die rekening houden met bijvoorbeeld retentie en verschillen tussen klantgroepen.
8. Repeat Purchase Rate
Hoeveel klanten komen na hun eerste aankoop terug?
Daarvoor kun je naar de Repeat Purchase Rate kijken.
Een eenvoudige berekening is:
Aantal klanten met meerdere aankopen ÷ totaal aantal klanten × 100
Stel dat je 2.000 klanten hebt en 500 daarvan minstens een volgende aankoop doen.
Dan is:
500 ÷ 2.000 × 100 = 25%
Dit cijfer is niet voor iedere webshop even belangrijk.
Verkoop je koffie, supplementen, cosmetica of dierenvoeding? Dan kunnen herhaalaankopen een belangrijk onderdeel van je verdienmodel zijn.
Verkoop je tuinhuizen? Dan is het minder logisch om te verwachten dat dezelfde klant iedere drie maanden opnieuw een tuinhuis bestelt.
Je KPI’s moeten dus passen bij het product dat je verkoopt.
9. Retourpercentage
Retouren hebben direct invloed op de financiële prestaties van een webshop.
Je hebt niet alleen te maken met een terugbetaling. Er kunnen ook kosten ontstaan voor retourtransport, controle, opnieuw verpakken, klantenservice en producten die niet meer als nieuw verkocht kunnen worden.
Een eenvoudige berekening is:
Aantal geretourneerde producten ÷ aantal verkochte producten × 100
Verkoop je 10.000 producten en komen er 800 retour?
Dan is het retourpercentage:
800 ÷ 10.000 × 100 = 8%
Let bij vergelijkingen wel goed op de gebruikte definitie. Je kunt retouren per product, bestelling of omzet meten. Kies één methode en gebruik deze consequent.
Analyseer ook waarom producten terugkomen.
Een stijgend retourpercentage bij één specifiek product kan bijvoorbeeld wijzen op verkeerde maten, onduidelijke productfoto’s, een verkeerde verwachting of kwaliteitsproblemen.
10. Winkelwagenverlating
Een bezoeker kan een product interessant genoeg vinden om in de winkelwagen te plaatsen, maar alsnog niet bestellen.
Daarom is de cart abandonment rate interessant.
Een hoge uitval kan bijvoorbeeld samenhangen met:
- onverwachte verzendkosten;
- verplichte accountregistratie;
- ontbrekende betaalmethoden;
- lange levertijd;
- technische fouten;
- een onduidelijke checkout.
Kijk hierbij niet alleen naar één eindpercentage.
Bekijk de hele funnel:
👁 Product bekeken
▼
🛒 Toegevoegd aan winkelwagen
▼
💳 Checkout gestart
▼
💳 Betaalmethode gekozen
▼
✓ Bestelling voltooid
Als veel mensen producten toevoegen maar nauwelijks de checkout starten, heb je mogelijk een ander probleem dan wanneer klanten massaal tijdens de betaling afhaken.
11. Voorraadomloopsnelheid
Een webshop kan winstgevend lijken, terwijl er ondertussen veel geld vastzit in voorraad die nauwelijks verkoopt.
Daarom zijn operationele KPI’s eveneens belangrijk.
De voorraadomloopsnelheid laat zien hoe vaak je gemiddelde voorraad gedurende een periode wordt verkocht en vervangen.
Een gebruikelijke formule is:
Inkoopwaarde van verkochte goederen ÷ gemiddelde voorraadwaarde
Een hogere omloopsnelheid kan betekenen dat voorraad snel verkoopt.
Maar extreem hoog is ook niet automatisch goed. Als je te weinig voorraad aanhoudt en voortdurend uitverkocht bent, loop je omzet mis.
Je zoekt daarom naar een balans tussen beschikbaarheid en zo weinig mogelijk onnodig vastgezet kapitaal.
Kijk nooit naar één KPI
Dit is misschien wel de belangrijkste regel van e-commerce analytics.
KPI’s beïnvloeden elkaar.
Stel dat je de prijzen met 10% verlaagt.
Je conversieratio stijgt:
2,5% → 3,2%
Goed nieuws?
Misschien.
Tegelijkertijd kan je marge dalen. En doordat je meer klanten krijgt, stijgen mogelijk ook fulfilment- en klantenservicekosten.
Of je geeft meer geld uit aan advertenties.
Je omzet stijgt met 30%.
Maar je CAC stijgt van €25 naar €50 en de nieuwe klanten komen nauwelijks terug.
Ook dan vertelt omzet maar een deel van het verhaal.
Bekijk daarom minimaal de relatie tussen:
Verkeer → conversie → AOV → marge → CAC → herhaalaankopen → CLV

CAC en CLV horen bij elkaar
Een goed voorbeeld van twee KPI’s die je niet los moet beoordelen zijn CAC en CLV.
Stel:
Webshop A
CAC = €40 → CLV = €55 (marge: €15)
Webshop B
CAC = €40 → CLV = €250 (marge: €210)
Beide webshops betalen precies hetzelfde om een klant te krijgen.
Toch ziet de economische situatie er compleet anders uit.
Daarbij moet je opnieuw opletten welke definitie van CLV je gebruikt. Een CLV gebaseerd op omzet kun je niet zomaar één op één vergelijken met je acquisitiekosten om winstgevendheid te bepalen.
Voor een goede financiële analyse wil je weten hoeveel marge de klant gedurende de klantrelatie oplevert.
Welke KPI’s zijn belangrijk voor jouw type webshop?
Niet iedere webshop hoeft op dezelfde cijfers te sturen.
| Type webshop | KPI’s die extra aandacht verdienen |
|---|---|
| Fashion | Retourpercentage, conversie, marge, AOV |
| Verbruiksproducten | Repeat Purchase Rate, CLV, retentie |
| High-ticket | Conversie, CAC, marge, sales cycle |
| Dropshipping | Marge, CAC, levertijd, refunds |
| Marketplace | Marge per product, advertentiekosten, retouren |
| Abonnementen | Churn, CLV, CAC, retentie |
| Webshop met veel voorraad | Voorraadomloopsnelheid, marge, voorraadwaarde |
Dit betekent niet dat de overige cijfers niet relevant zijn.
Het helpt je vooral bepalen welke KPI’s de meeste invloed hebben op jouw bedrijfsmodel.
Voorbeeld: de KPI’s van één webshop berekenen
We nemen een fictieve webshop met deze maandcijfers:
| Gegeven | Waarde |
|---|---|
| Sessies | 50.000 |
| Bestellingen | 1.500 |
| Omzet | €90.000 |
| Inkoopwaarde | €45.000 |
| Advertentiekosten | €15.000 |
| Nieuwe klanten | 1.000 |
Daarmee kunnen we verschillende KPI’s berekenen.
Conversieratio
1.500 ÷ 50.000 × 100 = 3%
Gemiddelde orderwaarde
€90.000 ÷ 1.500 = €60
Brutomarge
(€90.000 – €45.000) ÷ €90.000 × 100 = 50%
CAC
€15.000 ÷ 1.000 = €15
Op het eerste gezicht ziet dat er misschien goed uit.
Maar hoeveel winst maakt deze webshop?
Dat kunnen we met deze cijfers nog niet zeggen.
We weten bijvoorbeeld nog niets over:
- verzendkosten;
- fulfilmentkosten;
- retouren;
- betaalprovider;
- personeel;
- software;
- huisvesting;
- overige marketing;
- belastingen.
Dat is precies waarom je nooit één KPI als bewijs voor een gezonde webshop moet gebruiken.
Omzet versus winst: waarom groei kan misleiden
Stel dat onze fictieve webshop harder gaat adverteren.
De resultaten ontwikkelen zich als volgt:
| Situatie A | Situatie B | |
|---|---|---|
| Omzet | €90.000 | €120.000 |
| Advertentiekosten | €15.000 | €30.000 |
| Nieuwe klanten | 1.000 | 1.300 |
| CAC | €15,00 | €23,08 |
De omzet groeit met ruim 33%.
Dat ziet er op een dashboard uitstekend uit.
Maar de acquisitiekosten zijn verdubbeld en CAC is met ruim 53% gestegen.
Of deze groei aantrekkelijk is, hangt vervolgens af van de marge en waarde van deze nieuwe klanten.

Daarom moet je bij snelle groei verder kijken dan omzet.
Welke cijfers zijn geen goede KPI op zichzelf?
Een metric is niet automatisch een KPI.
Neem websiteverkeer.
100.000 maandelijkse bezoekers klinkt indrukwekkend.
Maar als vrijwel niemand iets koopt, heb je daar commercieel weinig aan.
Hetzelfde geldt voor:
✗ Socialmedia-volgers
50.000 volgers kunnen waardevol zijn, maar niet wanneer ze nooit je webshop bezoeken of iets kopen.
✗ Aantal bestellingen
Meer orders klinkt positief, maar minder wanneer je op iedere order geld verliest.
✗ Omzet
Zelfs omzet kan misleidend zijn wanneer je niet weet welke marge en kosten ertegenover staan.
Dit betekent niet dat deze cijfers waardeloos zijn. Je moet ze alleen in de juiste context bekijken.
Welke e-commerce KPI’s zet je op je dashboard?
Je hoeft niet iedere ochtend twintig grafieken te controleren.
Een praktisch dashboard kun je opdelen naar frequentie.
Dagelijks
Controleer bijvoorbeeld:
- omzet;
- bestellingen;
- conversieratio;
- advertentie-uitgaven;
- technische of opvallende afwijkingen.
Het doel is vooral om snel grote veranderingen te zien.
Wekelijks
Kijk uitgebreider naar:
- AOV;
- CAC;
- ROAS;
- brutomarge;
- retouren;
- conversie per kanaal.
Hiermee kun je trends herkennen zonder je te laten afleiden door één slechte dag.
Maandelijks
Gebruik langere periodes voor bijvoorbeeld:
- CLV;
- Repeat Purchase Rate;
- nettowinst;
- contribution margin;
- voorraadomloopsnelheid;
- klantretentie.
Welke frequentie geschikt is, hangt af van je omzetvolume. Een webshop met 30 bestellingen per maand heeft weinig aan dagelijkse analyses van kleine procentuele veranderingen.
Van KPI naar actie
Een dashboard heeft pas waarde als je weet wat je met de cijfers gaat doen.
Zie je bijvoorbeeld:
Veel verkeer + lage conversie
→ onderzoek verkeerskwaliteit, aanbod en conversie.
Goede conversie + lage AOV
→ onderzoek bundels, cross-sells en upsells.
Hoge ROAS + lage winst
→ controleer marge en overige variabele kosten.
Lage CAC + lage CLV
→ onderzoek klantretentie en herhaalaankopen.
Hoge omzet + cashflowproblemen
→ kijk naar voorraad, betaaltermijnen en werkkapitaal.
Veel winkelwagens + weinig betalingen
→ onderzoek je checkout.
Dat is uiteindelijk het verschil tussen e-commerce metrics verzamelen en daadwerkelijk sturen op KPI’s.
Welke e-commerce KPI’s moet je echt volgen?
Je hoeft niet ieder beschikbaar cijfer in je dashboard te zetten.
Begin met de KPI’s die direct iets vertellen over verkoop, acquisitie, marge en klantwaarde.
Voor veel webshops zijn conversieratio, AOV, brutomarge, CAC, ROAS en CLV een sterke basis. Voeg daarna KPI’s toe die belangrijk zijn voor jouw bedrijfsmodel, zoals retourpercentage, Repeat Purchase Rate of voorraadomloopsnelheid.
En kijk vooral naar de onderlinge relatie.
Een stijgende conversie is mooi, maar niet als je daarvoor je marge moet halveren. Een ROAS van 5 klinkt sterk, maar zegt zonder marge weinig over je winst. En een CAC van €40 kan zowel veel te hoog als bijzonder aantrekkelijk zijn, afhankelijk van wat een klant uiteindelijk oplevert.
De beste e-commerce KPI’s vertellen je daarom niet alleen hoe je webshop vandaag presteert. Ze helpen vooral bepalen aan welke knop je moet draaien om winstgevender te groeien.
Samenvatting: de belangrijkste e-commerce KPI’s zijn conversieratio, AOV, brutomarge, CAC, ROAS, CLV, Repeat Purchase Rate en retourpercentage. Kijk nooit naar één KPI los, maar naar de onderlinge relatie. Een stijgende conversie is niets waard als je marge daalt, en een hoge ROAS zegt zonder marge weinig over je winst. Kies de KPI’s die passen bij jouw type webshop en verdienmodel.
